Tienduizend dingen en toch ontbreekt er iets

Dermout_Detienduizenddingen

Winternachten in Den Haag is een mooi festival waarin literatuur van over de hele wereld op allerlei manieren aan bod wordt. Zeker in deze tijd van groot belang. Toen de aankondiging kwam dat het in de NRC-leesclub van zaterdag 21 januari over Maria Dermout’s ‘De tienduizend dingen’ zou gaan, aarzelde ik geen moment. Zeker ook omdat NRC-columnist en wetenschapper Louise Fresco het boek zou bespreken. ‘De tienduizend dingen’ speelt zich af in de Molukken, het boek was aan het einde van de jaren vijftig een internationale literaire hit en werd in meerdere talen uitgebracht. Dat waren ook aspecten die aan de orde kwamen in een goed gevulde zaal in het theater aan het Haagse Spui.

Louise Fresco sprak over de precieze manier waarop schrijfster Maria Dermout[1]haar herinneringen aan Nederlands-Indië vorm heeft gegeven en de fijnzinnige sfeertekening van het land,de natuur (waarbij ze de beroemde zeventiende-eeuwse natuurkenner Rumphius abusievelijk in de negentiende eeuw situeerde)en de bevolking.Ook de verhouding tussen het zichtbare en het onzichtbare en de cirkel waar leven en dood beide deel van uitmaken,passeerden de revue.

Eén begrip kwam in haar verhaal en in de inleiding door de chef boeken van het NRC, Michiel Krielaars,echter niet of nauwelijks voor. En dat was kolonialisme.
En dat kolonialisme bepaalt nu net hoe de personages in het boek zich tot elkaar verhouden en worden weergegeven.De kracht van Dermout als schrijver is daarbij dat het er nergens dik op ligt, maar in alles heel subtiel terug te lezen is. De lompe,wat wereldvreemde, professor en zijn adelijke Javaanse assistent uit het boek zijn niet alleen archetypen en zeker geen stereotypen maar worden neergezet als mensen van vlees en bloed. Desalniettemin zitten er allerlei oriëntalistische elementen in de beschrijving die Dermout van Soeprapto,de Javaanse assisent,geeft.Het feit dat de professor hem steeds ‘jonge vriend’ noemt,doet automatisch denken aan de bekende afbeeldingen van Nederlandse bestuursambtenaren en lokale bestuurders die,al dan niet gearmd,naast elkaar staan en zo de machtsverhoudingen belichamen. De verstrooide vanzelfsprekendheid waarmee de professor zich op het eiland beweegt,is niet los te zien van de vanzelfsprekende superioriteit die zijn positie als Europeaan met zich mee leek te brengen.Die vanzelfsprekendheid van bestaande hierarchieën was lange tijd een van de fundamenten van het kolonialisme.

 

Een leesclub biedt gelukkig natuurlijk ook de mogelijkheid om vragen te stellen.Op mijn vraag naar dat koloniale in het boek en hoe mensen in de eenentwintigste eeuw het boek moesten lezen of konden begrijpen zonder het besef dat het kolonialisme een wezenlijk bestanddeel is van Dermout’s werk,kwam als antwoord dat Dermout het kolonialisme niet verdedigde en dat het een te beperkte blik op het boek zou zijn.En dat er overal sprake was van ongelijke verhoudingen tussen meesters en bedienden. Een opmerkelijk antwoord omdat ik niet had beweerd had dat Dermout het kolonialisme verdedigde en het voorbij ging aan de vraag of je Dermout kan begrijpen zonder kennis van het kolonialisme.

Dat beide sprekers herhaaldelijk over ‘inlanders’ en de ‘inlandse bevolking’ spraken zonder blijk te geven dat dit bij uitstek koloniale termen zijn die nu –om het maar eens vriendelijk te zeggen– als problematisch worden ervaren,is in dit verband veelzeggend. Je zou je bijna afvragen wat Edward Said[2]ervan zou hebben gezegd om van Gloria Wekker[3]maar te zwijgen. De laatste heeft het in haar boek ‘White Innocence’ over het culturele archief in Nederland dat sterk is bepaald door het kolonialisme.Dar archief was zaterdag duidelijk te beluisteren in Den Haag.

 

Het lezen van literatuur uit de koloniale tijd of herinneringsliteratuur die verwijst naar de koloniale tijd is vaak een genoegen.Het geeft de lezer een inkijk in een wereld die nu niet meer bestaat en in veel opzichten zowel veraf van ons staat als nog in het heden resoneert. De lijst van prominente schrijvers en schrijfsters in de Nederlandse literatuur met een band met de (voormalige)koloniën is te lang om hier op te noemen.

Maar dat lezen moet dan wel het liefst vanuit een postkoloniaal perspectief dat die literatuur zowel in de tijd plaatst als ze in de huidige tijd begrijpelijk en relevant maakt[4].

Zonder een dergelijk perspectief liggen de valkuilen van de koloniale nostalgie of het missen van wezenlijke aspecten van die literatuur op de loer.En voordat je het weet, praat je dan anno 2017 over inlanders.

 

[1] Meer weten over Maria Dermout? https://mariadermout.wordpress.com/wetenswaardigheden/

[2] Edward Said, Orientalism, Routledge&Kegan Paul, 1978

[3] Gloria Wekker, White Innocence: Paradoxes of Colonialism and Race. Duke University Press, 2016

[4] Zie voor een bechouwing over postkoloniale literatuur in het Nederlandstalige gebied bijvoorbeeld: Elleke Boehmer en Sarah de Mul, The Post-Colonial Low Counrties, Literature, Colonialism and Multiculturalism, Rowman&Littlefield, 2012

 

 


Indonesische literatuur in Frankfurt: de Duitse inhaalslag

Overmorgen begint de Frankfurter Buchmesse, het belangrijkste boekenevenement in Europa en misschien wel in de hele wereld. Duizenden boekhandelaren, schrijvers, uitgevers, journalisten en andere belanghebbenden komen er bijeen en kijken naar nieuwe trends, proberen deals te sluiten voor nieuwe vertalingen en zoeken naar afzetmarkten.
Dit jaar is Indonesië speciale gast (‘Ehrengast’) en dat betekent dat er tentoonstellings-ruimten en programma’s zijn waarin het land zich kan presenteren
Onder aanvoering van schrijver, journalist en intellectueel Goenawan Mohamad is een comité druk bezig geweest met de voorbereidingen voor de Indonesische deelname. Hoewel het een unieke kans is om de Indonesische literatuur op een wereldpodium te presenteren, heeft het nog de nodige inspanningen gekost om uiteindelijk een keur van schrijvers te presenteren en titels vertaald te krijgen (http://islandsofimagination.id/).
Sommige van de schrijvers zijn nu in aanloop van Frankfurt al bezig met een Europese toernee. Laksmi Pamuntjak en Leila Chudori schreven met Amba en Pulang beiden bestsellers die inmiddels al in verschillende talen zijn vertaald.
Bijzonder, omdat het verhalen zijn die zich afspelen tegen de achtergrond van de machtsovername van generaal Soeharto na de mislukte coup van 1965 die vele honderdduizenden Indonesiërs (sommige schattingen spreken van een miljoen slachtoffers) het leven kostte. Bijzonder ook omdat beiden er in zijn geslaagd om een breed Indonesisch publiek te bereiken dat decennialang was opgevoed met de gedachte dat hard optreden tegen communisten het land van de ondergang had gered.
Het is een bewijs dat literatuur er soms wel degelijk toe kan doen.
Gelukkig voor Nederland, zijn beide boeken recent ook in het Nederlands verschenen. Op het Read My World Festival in Amsterdam presenteerde Xander Uitgevers ‘Amba. of de kleur van rood’ terwijl ‘Naar huis’ bij uitgeverij de Geus uitkwam.
Wie de berichten uit Duitsland volgt, ziet een Duits publiek dat – misschien niet gehinderd door (post-)koloniale nostalgie – uiterst belangstellend is voor de actuele stemmen uit Indonesië. Daar vindt een duidelijke inhaalslag plaats waar het gaat om de kennis van de Indonesische literatuur.
Dat roept direct de vraag op hoe het daarmee staat in Nederland. Waar hier vaak gewezen wordt op de oude banden tussen beide landen, heeft het er soms de schijn van dat het zicht op het huidige Indonesië daar soms ook wel door vertroebeld wordt. Misschien tijd om een nieuwe bril op te zetten en bijvoorbeeld op het jaarlijkse Tong Tong Festival ook eens te luisteren naar de lezingen over het moderne Indonesië en de Indonesische schrijvers die het festival uitnodigt… En Indonesisch leren om niet alleen van Engelstalige media afhankelijk te zijn.
Tot slot, een voortdurend aandachtspunt is het feit dat het lijkt alsof Indonesië op het gebied van literatuur en kunst ophoudt bij Makassar, terwijl er zowel op de Molukken als in Papua interessante ontwikkelingen aan de gang zijn.

 

IMG_4770-300x223

Naar-huis-Leila-S.-Chudori


De twee kanten van de Molukse medaille op 15 en 17 augustus

De twee kanten van de medaille: 15 en 17 augustus

Aan de vooravond van de zeventigste herdenking van het einde van de Tweede Wereldoorlog in Azië op 15 augustus en de proclamatie van de Republik Indonesia op 17 augustus, gaat het ook om de vraag wat herdacht en herinnerd wordt. Beide data zijn niet los van elkaar te zien, ook niet als het gaat om het Molukse verhaal. Waar op 15 augustus met name die Molukkers in beeld zijn die vanwege hun loyaliteit aan Nederland in de problemen kwamen, gevangen zijn genomen, gemarteld of vermoord zijn door de Japanse bezetters wordt vaak vergeten dat er ook Molukkers waren die om verschillende redenen wel met de Japanners hebben samengewerkt. Op Java waren dat Molukse nationalisten zoals mr. Latuharhary die, net als Soekarno en Hatta, in de Japanners eerder bevrijders van het Nederlandse juk dan bezetters zagen. In de Molukken zelf waren er groepen die onder het Nederlandse bewind waren gemarginaliseerd, zoals de nationalisten en moslims, die tijdens de oorlog de kans kregen om posten te bezetten die totdan vooral door christelijke pro-Nederlandse Molukkers waren ingenomen. Soms werden onderlinge vetes met behulp van de Japanners beslecht door tegenstanders van heulen met de geallieerde vijand te beschuldigen.
Het bracht na de oorlog spanningen met zich mee toen de pro-Nederlandse groep die posten weer opeiste en wilde afrekenen met ‘collaborateurs’ zo vertelde oud bestuursambtenaar Ruibing me eens. Het kostte nog de nodige moeite om een Molukse bijltjesdag te voorkomen.
Ook 17 augustus levert een gecompliceerder beeld op dan het gangbare van de trouwe Ambonees. Weer opgeroepen Molukse militairen behoorden in de eerste maanden na de proclamatie tot de weinige machtsmiddelen die de Nederlandse autoriteiten konden inzetten. Ze waren vaak ook gretig om die rol op zich te nemen als was het alleen om hun eigen gemeenschap te beschermen of wraak te nemen.
Molukse KNIL-militairen en burgers speelden ook een rol in het beschermen van Europese vrouwen en kinderen in kampen toen die direct na de proclamatie door pemuda en andere strijdgroepen werden bedreigd. In Jakarta worden in dit verband met name de militairen van het tiende bataljon genoemd. Samen met (Indische)Nederlanders, Chinezen en anderen die als pro-Nederlands werden gezien, behoorden Molukkers ook tot het doelwit van strijdgroepen. Dat ging zover dat pro-Indonesische Molukkers de republikeinse regering een ultimatum stelden: ingrijpen om een einde aan het geweld te maken of anders zouden de Molukse strijdgroepen dat zelf doen. In verschillende plaatsen op Java zoals Surabaya vochten Molukse jongeren, verenigd in organisaties als API-Maluku mee aan Indonesische kant. De strijdgroep van de socialistische partij, de Pesindo, telde ook de nodige Molukkers. Uiteindelijk zouden veel van die groepen samengaan in het Pattimura-bataljon in de TNI dat niet voor niets vernoemd werd naar de leider van de grote opstand uit 1817. Op 19 augustus 1945 werd Mr. Latuharhary benoemd als eerste republikeinse gouverneur van de Molukken hoewel hij daar helemaal niet naar toe kon omdat het gebied vast in handen was van de Nederlanders die met behulp van de Australiërs waren teruggekeerd. Daar in de Molukken was inmiddels wel een levenskrachtige republikeinse beweging ontstaan onder leiding van leiders zoals U. Pupella die in WO II de hoogste bestuursambtenaar was geweest. In de jaren tussen 1945 en 1949 bleek steeds weer dat de pro-republikeinse partij op brede steun van de bevolking kon rekenen, zo werd ook door tegenstanders als ingenieur Manusama erkend.
Ook de Molukse medaille heeft op 15 en 17 augustus dus twee kanten.

IMG_0815

Meer weten over deze periode? Lees dan:

R. Chauvel, Nationalists, soldiers and separatists, KITLV Press, Leiden 1990
B. van Kaam, Ambon door de eeuwen, Anthos, Baarn 1977
R. Leirissa, Maluku dalam perjuangan nasional Indonesia, UI Jakarta 1975
J. Manusama, Eigenlijk moest ik niet veel hebben van de politiek. MHM/Bintang, Utrecht/Den Haag 1999


Oorlogen Overzee

Bij de officiële presentatie van het tweede deel over de militaire geschiedenis van Nederland ‘Oorlogen Overzee’ die vandaag in het Rijksmuseum plaatsvond, gebeurde iets opmerkelijks. De reeks wordt uitgegeven door het Nederlands Instituut voor Militaire Geschiedenis (NIMG) dat onderdeel uitmaakt van het ministerie van defensie. Desondanks bleken de sprekers – redacteuren en auteurs – over een kritische blik te beschikken. Lid van de kernredactie, professor Petra Groen, stelde in haar inleiding dat de uitgave het lang gekoesterde zelfbeeld van Nederland als een a-militaire kleine mogendheid kantelde. In de periode die het boek bestrijkt (1595 – 1814) was Nederland op grote schaal militair actief. Dat gebeurde soms door de staat (denk aan Michiel de Ruyter) maar vooral door de twee handelsondernemingen VOC en WIC die vaak meer als semi-staten en oorlogsmachines opereerden zoals door de andere inleiders – historici Martine Gosselink en Harm Stevens van het Rijksmuseum en professor Gerrit Knaap van het Huygens Instituut – duidelijk werd gemaakt. Gosselink en Stevens lieten daarbij ook zien dat afbeeldingen zoals die zich in het Rijksmuseum bevinden, vaak gelaagd zijn en in ieder geval nooit zomaar kunnen worden gebruikt en begrepen. Net zoals nu werden beelden aangepast, verfraaid en gemanipuleerd als dat nodig werd geacht.
De reflectieve en kritische opstelling van de inleiders stond in schril contrast met de woorden van een van de ontvangers van het boek, oud-minister Hans Wijers die tegenwoordig onder andere bestuurder is bij Shell en Heineken. Voor deze ondernemingen was hij net terug van een zakenreis in Brazilië en misschien lag het daaraan dat hij niet goed had opgevangen wat gezegd was. Want Wijers hield gewoon een lofzang op de VOC en WIC vanwege het door-zettingsvermogen en de lange termijnvisie die aan beide compagnieën ten grondslag lag. Hij zag – natuurlijk zonder het militaire geweld – zo toch een lijn naar Shell en Heineken. Dat VOC en WIC zich volgens de inleiders aan zaken als volkerenmoord (Banda) en ander geweld dat tegenwoordig onder het kopje oorlogsmisdaden schuldig hadden gemaakt, deed daar blijkbaar niet aan af. Dat is op zijn minst opmerkelijk te noemen…

BMU_Website_home_10

Ondertussen lijkt ‘Oorlogen Overzee.Militair optreden door compagnie en staat buiten Europa, 1595-1814‘, verschenen bij Boom, een must read voor iedereen die zich interesseert in hoe een klein land ook groot was.

oorlogenoverzee01

oorlogenoverzee02

oorlogenoverzee03

oorlogenoverzee04


Bij het afscheid van tante Coos Ayal

 

Haar naam staat samen met die van 16 anderen op een versleten Nederlandse vlag die te zien is in de tentoonstelling ‘Het verhaal van Indië’ in museum Bronbeek in Arnhem.

kokk2
Het is de vlag die een groep van  62 militairen, ambtenaren en een enkele burger met zich mee had gedragen in een dertig maanden durende tocht door de Vogelkop van Nieuw-Guinea die begon na de Japanse inval in 1942. Costavina – Coos – Ayal, toen zestien jaar oud, was de enige vrouw in de groep. De tocht ging gepaard met veel ontberingen die voortdurend slachtoffers eisten.

17  overlevenden werden uiteindelijk door geallieerde troepen opgepikt en via het al bevrijdde Hollandia naar Australië overgebracht.MHM01_F997817_U
Daar werd ze verpleegster in het Vrouwenkorps van het KNIL met de rang van korporaal.

In 1946 kreeg ze het Kruis van Verdienste namens koningin Wilhelmina die de vlag met daarop de namen van de overlevenden aangeboden had gekregen. Later zouden nog andere onderscheidingen volgen.

 

Dat deze bijzondere vrouw op deze Goede Vrijdag met militaire eer in de Laurenskerk in Rotterdam herdacht werd, ligt natuurlijk voor de hand. Dat het een waardige bijeenkomst, maar geen stijve bedoening werd, kwam door tante Coos zelf. Uit de verhalen van kinderen, kleinkinderen en veteranen werd het beeld bevestigd van een sterke warme persoonlijkheid die soms nog wel werd geplaagd door de demonen uit de oorlogstijd, maar die zich er niet onder had laten krijgen. Haar huis stond voor iedereen open en er was altijd wel wat te eten.

Die warmte heb ik ook zelf mogen ervaren wanneer ik haar ontmoette. Altijd een glimlach, soms alleen een kort knikje, maar tante Coos was er, zo lang ze dat kon, altijd bij. In de film ‘littekens van de geschiedenis’van het Moluks Historisch Museum vertelden zij en oom Piet de Kock – nu nog de enige overlevende van de groep uit de Vogelkop – hoe ze die maanden hadden overleefd. Dat maakte op op iedereen diepe indruk. Tante Coos heeft haar verhaal vele malen verteld omdat ze het belang van het overdragen van ervaringen onderkende.Maar ze leefde niet in het verleden. Vandaag hoorden we in de kerk een van haar levenslessen: ‘schouders naar achter en rechtop lopen!’ Dat doen we dan ook, mede ter ere van haar. Selamat jalan tante Coos!

Deel via Social MediaTweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Share on Google+
Google+
Share on Facebook
Facebook

Lessen uit Batuley

Aru-Islands

 

 

 

 

 

 

 

 

 

En dan ben je op een regenachtige donderdagmiddag in Leiden zomaar in Batuley aan de oostkust van de Aru-eilanden. Dankzij een fascinerende lezing van de Canadese onderzoeker dr. Ross Gordon die over zijn onderzoek in Batuley vertelde. Dat de beelden niet op een groot scherm konden worden vertoond, deed er niet toe.
Het ging over hoe de mensen in Batuley en omliggende dorpen in het midden van jaren zeventig van de vorige eeuw van de overheid moesten kiezen tot welke van de erkende wereldgodsdiensten ze wilden behoren en hoe het verhaal gaat dat drie broers ervoor kozen om moslim, katholiek en protestant te worden. Maar het ging ook over de manier waarop de mensen in nauw contact met de natuur leven en rituelen uitvoeren als onderdeel van hun dagelijks leven. Ja, het is cultureel erfgoed, maar zo zullen ze het zelf niet noemen omdat het voor hen zo vanzelfsprekend is. De mensen uit Batuley vallen zonder twijfel onder de noemer ‘traditioneel’ en ‘inheems’, maar het zijn termen die hen niet zoveel zeggen omdat het labels zijn die van buitenaf op hen worden geplakt. Dat kan soms ook handig zijn, bijvoorbeeld in de strijd tegen ondernemingen die vooral uit zijn op de natuurlijke rijkdommen.
Net zo vanzelfsprekend is het feit dat de wereld niet alleen bestaat uit dingen die je kunt zien. De onzichtbare wereld in het bos en in het water is net zo echt en dient met respect te worden benaderd. De ‘walvisgraven’ waar de botten van gestrande walvissen, die als totem van een van de clanverbanden worden gezien, worden bewaard, zijn daar een tastbaar bewijs van.
De manier waarop de vangst van zeekomkommers – een gewild product op de Aziatische markt – door traditie gereguleerd wordt, is bedoeld om de natuur te beschermen. De beschrijving van het ritueel waarmee het seizoen voor de vangst van parels en zeekomkommers wordt geopend, gaat gepaard met tifa en gongspel.
Al luisterend naar de verhalen uit Batuley, vroeg het weinig invoelingsvermogen om te begrijpen hoe belangrijk en waardevol het is om de cultuur vast te leggen. Uiteindelijk zijn het de mensen uit Batuley zelf die bepalen hoe hun cultuur zich zal ontwikkelen. Maar dat ze waardevolle lessen voor ons hebben, staat buiten kijf. Dat op termijn ook video-opnamen beschikbaar zullen komen, is daarbij alleen maar meegenomen.


Observaties en opvattingen over geschiedenis en actualiteit

Kennis doet er toe

Aan het begin van een nieuw jaar is het aantrekkelijk om je over te geven aan allerlei bespiegelingen en goede voornemens. Terugkijkend op 2014 valt op hoe het er vaak op leek alsof kennis, feiten en analyse er niet of nauwelijks toe deden. Meningen en gevoelens voerden in allerlei debatten de boventoon. Dat is niet alleen allerlei volksmenners of  ‘opinie-makers’ aan te rekenen.

Van de zijde van onderzoekers en deskundigen bleef het vaak angstvallig stil als het ging om maatschappelijke kwesties. Een positieve uitzondering afgelopen najaar vormden de hoogleraren Van Stipriaan en Wekker met hun bijdragen in de zaak rondom Zwarte Piet waarin analyse en deskundigheid verbonden werden met betrokkenheid. Dat ze daarmee ook het risico liepen om geconfronteerd te worden met de beruchte onderbuik van de samenleving, heeft hen gelukkig niet afgeschrikt.

Tijdens een recent bezoek aan Indonesië viel op hoe nieuws- en leergierig veel studenten en jonge onderzoekers waren. In de wetenschap dat het land met zijn nieuwe president Joko Widodo voor grote uitdagingen staat, ook waar het gaat om de omgang met het eigen verleden, is dat een hoopgevend signaal. Publieke intellectuelen en kunstenaars zoals Goenawan Mohamad en anderen spelen een belangrijke rol in het agenderen en aanjagen van politieke en maatschappelijke kwesties en maken daarvoor handig gebruik van allerlei sociale media.

Moet je over alles een mening hebben of is het toch beter om je bij je eigen leest te houden? Moeilijk om daar een algemeen antwoord op te geven. Maar u zult in 2015 waarschijnlijk wel wat vaker gaan horen wat Manu2u ergens van vindt. Maar altijd beargumenteerd en op basis van feiten. En ja, tegenspreken mag. Graag zelfs. Maar dan wel met dezelfde instrumenten.

 

Manu2u wenst u een goed 2015 toe!

Deel via Social MediaTweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Share on Google+
Google+
Share on Facebook
Facebook

Duurzaam Herdenken in de 21e eeuw

Op 15 augustus wordt op verschillende plaatsen in Nederland het einde van WO II in Azië herdacht. Ik mag in het middagprogramma in het World Forum in Den Haag de Indische Salon presenteren. Daar zullen panelgasten en het publiek met elkaar van gedachten wisselen over wat herdenken anno 2014 betekent. Hoe kunnen ervaringen en herinneringen gedeeld worden? Niet alleen tussen de generaties in de Indische gemeenschap in al zijn verscheidenheid maar ook met de Nederlandse samenleving als geheel?
Ter voorbereiding werp ik een blik in verschillende bladen en neus wat rond op sociale media. Het is duidelijk dat het thema nog springlevend is. In ieder geval bij diegenen die zich, soms vanuit het diepst van hun hart, reageren wanneer de Indische theatermaker Bo Tarenskeen zich in het lijfblad van Indisch Nederland, Moesson, afvraagt of het niet beter zou zijn om de herdenking van 15 augustus te laten vervallen omdat op 4 mei immers al alle gevallenen worden herdacht. Eerder dit jaar onstond beroering toen organisaties van joodse slachtoffers en verzetsmensen pleitten voor een exclusievere invulling van 4 mei en een beperking tot de Tweede Wereldoorlog.
Processen van in- en uitsluiting, al dan niet door betrokkenen zelf, spelen ook bij herdenkingen een rol. Wie mag spreken en wie niet? Als we het over zwarte bladzijden hebben van de laatste fase van de Nederlandse koloniale aanwezigheid in Indonesië direct na het einde van de oorlog, gaat het dan alleen over wat er aan Nederlandse zijde gebeurde? Want hoe zit het dan met de Bersiap, de chaotische en gewelddadige periode direct na de Japanse capitulatie op 15 augustus en de proclamatie van de Republik Indonesia op 17 augustus? Het is een begrip dat in Indonesië een hele andere connotatie heeft en verwijst naar een tijd van revolutie en vrijheidstrijd. Woorden zijn in dit verband nooit neutraal, maar laten direct zien welke positie iemand inneemt. Politionele acties of koloniale oorlog? Exces, oorlogsmisdaad of begrijpelijke reacties in een vuile guerilla-oorlog?
Dat ook herdenkingen onderdeel vormen van het debat, is niet meer dan natuurlijk. Ook daar zijn ontwikkelingen waar te nemen. Het grote succes van de recente documentaire ‘Buitenkampers’ laat zien hoe zeer een grote groep in de Indische gemeenschap behoefte heeft dat ook hun verhaal wordt verteld. Eindelijk uit de schaduw van het kamp!

De toenemende afstand in tijd en plaats, maakt dat het steeds meer een uitdaging wordt om ook naar nieuwe vormen te   zoeken die het herdenken van WO II in Azië toekomstbestendig maken. Daar speelt onderzoek een belangrijke rol, Nieuw onderzoek of nieuwe interpretaties van bestaand materiaal kunnen nieuwe inzichten opleveren. Soms levert dat ook controverses op, zoals bij de in 1999 door het NIOD georganiseerde tentoonstelling Nederlanders, Japanners,, Indonesiërs die zowel in Nederland als in Japan te zen is geweest. Liepen onderzoekers daar niet te veel voor de publieke opinie vooruit?
Dergelijke discussies zijn echter hard nodig om het gesprek verder te helpen. Daarom kijk ik nu al uit naar vrijdag: tot ziens bij de Indische Salon!

Deel via Social MediaTweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Share on Google+
Google+
Share on Facebook
Facebook

© 2014 MANU2U: Disclaimer. Developed by Gieze Webdesign